zaterdag, juli 09, 2011

Lola zoekt Brood

















'Ik accepteer u zoals ik ben.', Herman Brood
'Herman heeft een uitroepteken achter zijn leven gezet, niet een punt', Jules Deelder

Uitzending gemist? Zie 'Lola zoekt Brood'.

Juno - vrouw van Zeus

'In my opinion, the best thing you can do is to find a person who loves you for exactly what you are. Good mood, bad mood, ugly, pretty, handsome, what have you. The right person will still think that the sun shines out your ass. That's the kind of person that's worth sticking with.'
Voor het script, zie www.scribd.com.

vrijdag, oktober 29, 2010

Wij zijn ons brein

Het antwoord op de vraag wie dan kiest om op te schrijven dat de vrije wil een illusie is - Victor Lamme of zijn brein - wordt behalve door Lamme zelf, beantwoord met de titel van het nieuwe en aan te bevelen boek van hersenonderzoeker Dick Swaab (ook van de Universiteit van Amsterdam): ‘Wij zijn ons brein’. Een dergelijke stelling is goed te begrijpen van een hoogleraar neurobiologie hoewel ik geneigd ben om te zeggen: ‘Wij zijn ons lichaam’. De vraag die dat weer oproept is: ben ik nog ‘ik’ als ‘mijn’ brein of ‘mijn’ lichaam dood is?  Zonder een functionerend brein ervaar ik mijzelf immers niet meer als ‘ik’ en zal mijn ‘ik’ in rook of stof zijn opgegaan.
Als kind was ik gefascineerd door de vraag of ik mezelf nog wel zou zijn als delen van mijn lichaam zouden ontbreken of zouden worden vervangen. Een geamputeerde arm of been leek voor mijn identiteit geen probleem en zelfs organen als een nier of een hart konden worden vervangen door die van een ander zonder dat ze mijn ‘ik’ zouden aantasten. Maar wat als delen van mijn hersenen zouden uitvallen of door die van anderen zouden worden vervangen? Zou ik dan nog altijd ‘mijzelf’ zijn? Op dat punt begon ik te twijfelen.

 Een vriendin van mij kreeg twee kogels in haar hoofd en hoewel ze haar bedrijf heeft moeten opgeven en blijvend arbeidsongeschikt is geraakt, functioneert ze buiten de arbeidsmarkt in het dagelijks leven wonderwel goed. Ze woont zelfstandig en haar persoonlijkheid is niet aangetast. Toch kan het anders gaan. Zo zie ik in mijn eigen familie welk een slopend effect de ziekte van Alzheimer heeft op iemands persoonlijkheid. Heel geleidelijk knaagt deze ziekte aan onze fundamenten van ons mens- (of dier-)zijn. Maar wat zijn die fundamenten dan?

Een treffend voorbeeld is misschien een fragment uit de BBC-documentaire ‘The Mind Machine’ van Colin Blakemore dat wijlen Piet Vroon in 1991 aan het Nederlandse kijkerspubliek  liet zien. Daarin werd een dirigent getoond die als gevolg van een virusinfectie een ernstig hersenletsel had opgelopen in die gebieden die verantwoordelijk zijn voor de opslag van recente informatie. Elke nieuwe gebeurtenis werd niet meer als geschiedenis in zijn geheugen opgeslagen. Telkens als zijn geliefde vertrok, was hij weer volledig vergeten dat zij was geweest. Hoewel ze dagelijks bij hem op bezoek kwam, dacht hij telkens dat zij jaren niet was geweest. Hij voelde zich vreselijk alleen en verlaten. Het was hartverscheurend om te zien. Het enige blije moment ervoer hij als hij piano speelde. Zijn muzikale gaven bleken onaangetast. Het is door hersenonderzoekers al vaak gezegd: er is niet één gebiedje waar een ziel (de ervaring van het ik) zetelt: het is het samenspel, het orkest van al die gebiedjes in ons brein die ‘kiezen’. En inderdaad: soms wedijveren die hersengebiedjes dan met elkaar, ‘kiest’ niemand maar wint simpelweg de sterkste impuls. Spinoza wist het al:

Er blijkt uit dit alles, dat wij op tal van wijzen door uitwendige oorzaken worden bewogen en dat wij als golven van de zee, door tegengestelde winden voortgezweept, ronddobberen, onwetend omtrent de afloop en ons noodlot’ (Opmerking bij Stelling 59, Deel 3 van de Ethica).

Op Wikipedia zijn de verschillende opvattingen over de kwestie van de vrije wil overigens aardig samengevat. Zie ook 'Vrije wil'.

vrijdag, oktober 15, 2010

De evolutie van de vrije wil

De Amerikaanse filosoof Daniël Dennet heeft er al eens op gewezen dat indeterminisme - gebeurtenissen of toestanden zonder oorzaak - de vrije wil net zo min redt als het determinisme. Bij een wil die toevallig is ofwel handelingen die willekeurig zijn, kan immers ook geen sprake zijn van 'een vrije wil' of 'vrije handelingen'. Bijzonder is dat Dennet de vrije wil redt zonder het deterministische perspectief, waarop zoveel empirische wetenschap gebaseerd is, te verlaten. Hij doet dit door, heel slim, een graduele vrije wil te veronderstellen. Zijn redenatie is als volgt. Tijdens de evolutie hebben verschillende organismen zich volgens Darwiniaanse principes - zoals natuurlijke selectie - zich aan hun omgeving aangepast. Sommige dieren hebben daarbij een geavanceerd centraal zenuwstelsel ontwikkeld. De intelligentie van dieren en de mate waarin zij een vrije wil hebben, worden volgens Dennet dus bepaald door de mate waarin zij op verschillende manieren op hun omgeving (kunnen) reageren. Een mier zal met zijn beperkte brein dus voorspelbaarder en dus ook minder vrij op stimuli uit zijn omgeving reageren dan, laten we zeggen een chimpansee of een bonobo. In zijn boek 'Freedom Evolves' maakt Dennet ook duidelijk dat met de evolutie van taal mensachtigen een machtig instrument kregen om de werkelijkheid vanuit verschillende invalshoeken te kunnen visualiseren en conceptualiseren. Daarmee steeg het aantal mogelijkheden om op verschillende manieren met de werkelijkheid om te gaan dramatisch. Het was met name deze laatste evolutionaire stap die ons mensen 'vrij' heeft gemaakt. In die zin is het dus ook niet gek dat veel van ons ervan overtuigd zijn dat wij, hoewel gedetermineerd, toch 'vrij' zijn: in onze gedachten zijn er immers zo veel scenario's mogelijk waaruit we kunnen kiezen, zo veel scripts die werkelijkheid kunnen worden.

Deze reactie is eerder gepubliceerd op de website van Rob Wijnberg die een artikel schreef over het boek van Victor Lamme, ´De vrije wil bestaat niet´.

zondag, september 26, 2010

Oma

Terwijl ik dit opschrijf, besef ik dat wat ik ga opschrijven geen getrouwe weergave zal worden van wat is gebeurd en al helemaal niet van Oma en de anderen. Oma en de anderen bestaan niet. Oma bestaat niet meer. Oma en de anderen zijn tot andere mensen gekneed - mijn mensen -  en daarom zeg ik, louter en alleen om een verontruste lezer gerust te stellen: iedere gelijkenis met de werkelijkheid berust op toeval. Nee, sorry, ik spreek niet de waarheid: wat komen gaat is uiteindelijk toch niet helemaal toevallig.
‘Oma was soms rebels, dat vond ik wel mooi’, zei haar Dochter, mijn schoonmoeder.  Ze sprak het uit op zijn Gronings: ‘moooooi’. Precies een week geleden overleed de Oma van mijn Lief (Kleindochter). Ze liet Dochter en drie zonen achter. Dochter had een vrouwelijke voorgangster laten komen om de rouwdienst een feministisch tintje te geven. Oma was per slot van rekening een vrijgevochten vrouw geweest. Wat restte van haar geloof wist niemand meer. Wel had ze in haar dagboekje nog Bijbelteksten en psalmteksten opgeschreven die haar troost gaven.
De rouwdienst werd gehouden in een klein 17e eeuws kerkje in Buffalo, Groningen, de plek waar Oma bijna iedere zondag het evangelie op Gereformeerde grondslag ten gehore kreeg. ‘Soms kwam zij niet naar deze kerk, gewoon omdat ze geen zin had’, vervolgde Dochter. ‘Dat ze niet naar het huis van God kwam, daar sprak de dominee in zijn volgende preek schande van. Daarom bleef Oma soms drie zondagochtenden achtereen thuis: de eerste keer omdat ze geen zin had, de tweede keer omdat ze de lasterpreek van de vrome dominee niet wilde aanhoren en de derde keer om de wraak te nemen op de kerkgemeenschap. Dan las zij thuis boeken waar de godsvruchtige ouderlingen van gegruwd zouden hebben. Oma was zeer godvruchtig opgevoed en moest van haar ouders wekelijks naar de kerk. Maar daardoor kreeg Oma steeds meer haar eigen duivelse willetje.’
Het is natuurlijk geen toeval dat ook mijn Lief dezelfde naam heeft als Oma. Ze zat links naast me op de harde banken van de twee rij rechts in het Buffalose kerkje. Bewust wilden wij kunnen schuilen achter de schouders van de streng gelovige tak van de familie om in stilte en ongezien de kerkdienst te kunnen bijwonen. De eerste keer dat ik mijn hoofd naar mijn Lief toedraaide moest ze glimlachen, ongetwijfeld om de archaïsche Geneefse psalmtekst uit 1551 die we samen niet uit ons strot kregen. Een gelovig nichtje van mijn Lief zat voor mij. Ze had een kapsel dat volgens de modernste religieuze maatstaven uit de 17e eeuw ongetwijfeld heel modieus zou zijn geweest. Ik kon haar uit volle borst horen zingen maar ik playbackte, in gedachten.
Het was lang geleden dat ik een kerkdienst had bijgewoond. Ik was 16 jaar toen ik voor het laatst in de Gereformeerde kerk tegenover ons huis op de houten banken had gezeten. De kerk is gesloopt, net als mijn geloof, maar de herinneringen zijn gebleven. Ze kwamen allemaal naar boven daar in het Buffalose kerkje. Op de Christelijke lagere school zong ik met mijn klasgenootjes elke dag vóór de les tot treurens toe een psalm. Later werd ik vanwege mijn stem uitverkoren voor het jongenskoor van de school maar al snel ontdekte ik dat ik geen gave had voor het onthouden van liedteksten. En zeker niet van psalmen.  Ik was doof aan mijn linkeroor en kon tot mijn 13e jaar wel fonetisch maar niet begrijpend lezen. Voor het zelfde (collecte)geld hadden zij mij net zo goed Finse of Hongaarse liedjes kunnen laten zingen, die had ik net zo goed begrepen. Ons koor moest na veel oefenen in de kerk acte de presence geven. Op het moment suprême vergat ik mijn psalmenboekje. Tegen de strenge koster/dirigent had ik mijn stommiteit niet durven toegeven. Daarom stond ik daar, jawel: rechts in de 2e rij van het jongenskoor, verscholen achter de schouders van de brave Hendrikken van de 1e rij. Een lotgenoot naast mij vroeg ik of hij zo vriendelijk wilde zijn om zo onopvallend mogelijk zijn boekje tussen ons in te houden. Maar vergevingsgezind bleek hij niet. Ik moest maar op mijn blaren zitten, vond hij. ‘God straft meteen’, moet hij gedacht hebben maar van Jezus leer had hij weinig kaas gegeten. Mijn ouders hadden het schouwspel van veraf gadegeslagen en teleurgesteld aanschouwd dat ik al Gods liederen geplaybackt had. Geplaybackt! Ik kreeg straf maar gelukkig hoefde ik daarna nooit meer naar het koor.
De tranen van mijn Lief vielen op de houten vloer van het Buffalose kerkje toen de droevige psalm uit 1887 haar stemming deed omslaan. ‘Gek eigenlijk’, zei mijn Lief na afloop van de dienst toen Dochter en haar drie broers de kist wegdroegen naar de begrafenisauto die klaar stond. ‘Om oma hoef ik niet verdrietig te zijn. We zijn allemaal opgelucht dat zij is heengegaan [waarheen toch?!]. Ze heeft een mooi leven gehad en wordt begraven op haar 95e. Het zal de entourage, de stemmigheid wel zijn geweest die mij verdrietig maakte.’  ‘De cirkel was rond’, had de vrouwelijke voorgangster nog gepreekt. De rituele gezangen, de zalvende gebeden, de geplande stiltes voor contemplatie, de entourage van de kerk waar ik zolang niet was geweest, de met het dode lichaam van Oma gevulde kist op het altaar hadden mij een loodzware brok in mijn keel bezorgd. Omdat de emoties geënsceneerd waren, vocht ik tegen mijn krokodillentranen maar de tranen van mijn Lief zorgden nu toch ook bij mij voor een vloedstroom. Wat een sentimentele klootzak ben ik eigenlijk.
Bij het afscheid van mijn overgrootmoeder van 101 ging het anders. Ik was 10 toen zij overleed. De begrafenis werd een gezellige reünie van de familie van mijn moeders kant. In de kantine pakte ik zo onopvallend mogelijk drie plakjes cake van tafel. De koster moet er hasj in gedaan hebben die alleen bij mij zijn uitwerking kreeg want bij de condoleance zag ik alleen nog maar familieleden met een pokerface rondlopen en dat kwam bij mij zo onwaarachtig over dat ik echt onbedaarlijk hard in de lach schoot. Zó erg dat niet mijn overgrootmoeder, maar de rest van de rouwdienst ik in het middelpunt van de belangstelling van de familie kwam te staan. Mijn moeder greep mij bij mijn rechterarm. Ze sleurde mij hardhandig de kerk uit. Buiten duurde de pret niet lang meer: het was 15 graden onder nul.
Zoiets was me vaker overkomen in de kerk tegenover mijn ouderlijk huis. De kerkgangers waren zo onuitstaanbaar netjes gekleed en vooral altijd zo godgruwelijk serieus dat ik me begon af te vragen hoe het toch mogelijk was dat al die stelletjes seks met elkaar hadden gehad vanwege die schare kinderen die ze hadden verwekt. In mijn fantasie ritste ik de hoedjes van de hoofden van de dames of schreeuwde ik: ‘Brand!’ of ‘Klootzak!’ of ‘Lul!’ of ‘Eet, drink, neuk en wees vrolijk!’. Mijn lachen smoorde in de kiem. Maar dat was het moeilijkste van naar de kerk gaan: de poppenkast serieus nemen en je lachen inhouden. Het ging zo vanzelf: alles was toch veel en veel leuker dan te denken aan de Dood? In de kerk deden zij niets liever dan denken aan de Dood. Ik niet, ik kon het niet, denken aan de Dood. De Dood is toch Niets? Net als bij Oma nu, maar ja zij is echt dood, ze ligt daar in die kist dood te Zijn. Ik kijk mijn Lief aan terwijl we buiten in het zonnetje achter de stoet aanlopen richting de begraafplaats. Alle dorpsbewoners houden halt en verstommen. Behalve de lijsters, de merels, de mussen en de raaf. Zij houden hun snaveltjes niet. Zij blijven kwetteren omdat ze niet anders kunnen. Omdat ze hun lach niet kunnen inhouden. Terwijl wij bij de poort van de begraafplaats staan en de kist met Oma door de Zoons en de broer van mijn Lief uit de auto wordt getild, staan wij met de hele stoet te wachten totdat de kist een eindje verderop voor het graf is gezet. Alleen het ruisen van de wind en enkele mussen zijn te horen. Tussen de platanen zijn tot aan de horizon de weilanden te zien van het Groningse platteland. Een koe eet onuitputtelijk van het groene gras. Ik houd de hand vast van mijn Lief en langzaam bewegen wij ons met de anderen naar een gapend gat, het Gapende Gat. Op de kist heeft Dochter een nieuw fototje van Oma gezet. Het is zo’n bewegende foto. Je weet wel: als je er langs loopt, knipoogt ze. Zo moeder, zo dochter. Daarna lopen mijn Lief en ik de weide wereld in. Mijn Lief draait haar hoofd een kwartslag naar me toe en dan, met een verleidelijke blik knipoogt ook zij. Vanaf dat moment weet ik van wie ze het heeft.

zondag, mei 30, 2010

Mijn gedroomde schrijftafeltje

De rit was een nachtmerrie. België was vanuit Nederland onbereikbaar geworden. De snelwegen waren dichtgeslipt. Direct na de grens op de A16 van Breda naar Antwerpen ging het al mis en kwamen we met de auto zo goed als helemaal vast te zitten. Bij de eerste de beste afrit zei ik tegen Nien : 'We gaan koffie drinken en polshoogte nemen' . Mijn twee pubers achterin waren zichtbaar ook aan een colaatje of Fanta toe. Onze kleine baby was de enige die zich niet bewust was geweest van het onheil dat we tegemoet gingen. We waren nog maar net de afrit naar het parkeerterrein  afgegleden of er verschenen pontificaal twee mannen voor onze bumper. Ik ontwaarde een cameraman en een geluidsman. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik ze achter onze auto aanrennen. Ik stopte en liet het raam elektrisch opengaan. 'Awel', vroeg de geluidsman, 'Ge reist af naar Antwerp?' Ik knikte waarna de man de microfoon met daarop het blokje van de Belgische commerciële zender VTM voor mijn snufferd hield en doorvroeg: 'Ge weet toch wel dat de weg naar Antwerp een grote lange file is met vooral Nederlanders?' Ik zeg tegen hem: 'Nee, maar u zegt het. Is het werkelijk zo erg? Hoe lang duurt de vertraging?'. De man dringt aan: 'Het zijn vooral Nederlanders die in de file gaan staan hè?' De insinuerende opmerking deed me in een opwelling besluiten lekker de botte Nederlander uit te hangen. Ik zeg met mijn beste Belgisch accent dat ik me na een jaar Gent eigen heb gemaakt: 'Aja, ge denkt vast en zeker dat al die kaaskoppen dom zijn hè? Nu welaan, er rijden toch zeker ook Belgen in deze file?'. De VTM-verslaggever denkt slinks te zijn en stelt: 'De Nederlanders in de file zijn toch ruimschoots in de meerderheid?' Ik begin nu echt een hoge graad van irritatie te bereiken: 'Alla, ge wenst mij te bekennen dat wij als Nederlandse meerderheid dom en/of onwetend zijn? Dat wij ons als zwakke schaapkes laten verleiden om onszelf in de grote wolvenbuik België te laten verdwijnen? Aja, voorwaarts ik zeg u, meneer verslaggever, uw vragen zijn vast bedoeld om ons op onze schreden te laten terugkeren. België vindt u vast te vol. Met Nederlanders, Turken, Marokkanen, Congolezen or whatever. Wij rijden met zijn vijven zo meteen  rustig de A16 op en stromen samen met al die onwetende en domme Nederlandse toeristen langzaam maar zeker uw heerlijk België in. Een goedendag.' De verslaggever was stom verbaasd. Terwijl ik snel het raampje sloot en wegreed bleef het VTM-blokje op zijn microfoon vastzitten tussen het raam en de bovenkant van de deur. Nu was het hek van dam. Het microfoonsnoer rukte de camera uit de handen van de cameraman. De camara viel met een een harde klap op het asfalt en sleurde nog heel even achter de auto aan. Er zat nog maar éen ding voor ons op: voordat ze de politie gingen bellen: zo snel mogelijk onze weg vervolgen naar ons donkere Zwitserse, olie gestookte 30-er jaren chalet vlakbij Durby in de Ardennen. Opgaan in de lange file, onzichtbaar worden tussen alle toeristische domoren.
Maar de camera had alles vastgelegd. Terwijl het op de grond viel, waren de opnames niet gestopt. In het korte moment dat de camera  achter onze auto aansleepte en kapot was gestuiterd, was ons kenteken in de hoek van het TV-beeld vereeuwigd. Mijn straf voor de Belgische justitie was niet meer te ontlopen. Op TV werd de uitzending met mijn kop en onze auto de dag erna nog vele malen herhaald. Mijn reputatie was  voorgoed voorbij.

Ik schrijf dit verhaal als mijn liefsten nog onschuldige dromen dromen, hier in het donkerbruine chalet in de Belgische Ardennen om 6 uur 's ochtends na de avond van het incident. We hadden toen nog drie uur in de file gestaan, de baby had geen kik gegeven en dus waren we gestaag doorgereden en keurig zonder aanhouding twee keer zo laat op onze vakantiebestemming aangekomen. Ik zit nu achter het tafeltje in de keuken, mijn gedroomde schrijftafeltje met uitzicht op een dal, een diep dal.

zondag, november 01, 2009

De appeltjes van Renée

De placenta kwam er niet uit en daarom bleef de verloskundige maar hard op de buik van mijn lief duwen en trekken aan de gedraaide navelstreng. ‘Als het over tien minuten niet gebaard is, gaan we alsnog naar het ziekenhuis’, zei ze tegen ons. Mijn dochter was al geboren maar de moederkoek nog niet. Het bleek een hele bevalling, die nageboorte. Bijna erger dan de hele geboorte van mijn dochter. Eén minuut voor twaalf schoot het er eindelijk uit. Het had negen maanden ons meisje helpen voeden en lag nu als een bloederige plumpudding of koeienvlaai op ons bed. De verloskundige pakte het vlies en maakte er een onsmakelijke zak van. Het leek op een groot uitgevallen boterhamzakje. Zo eentje die je als verlate wraakactie na vijfendertig jaar nog steeds bij je grootste rivaal van je klas in zijn schooltas had willen stoppen. ‘En?’, vroeg de verloskundige? ‘Wat ga je ermee doen?’ De vraag bleef repeteren in mijn hoofd. Wat ga je ermee doen, wat ga je ermee doen? ‘Hoe bedoel je, wat ga je ermee doen?’ ‘Weggooien of begraven?!’, vroeg ze. Voor ik het wist had de verloskundige de substantie in een grijze vuilniszak gestopt, en had ikzelf de zak buiten in de grijze afvalcontainer gedumpt.
Diezelfde nacht droomde ik over bloederige vleesbomen, gehaktmachines en bloeddorstige slagers. Ik had er geen goed aan gedaan de moederkoek, de schakel tussen moeder en dochter, zo gewetenloos in de container te storten. Vroeg in de ochtend sloop ik in een halfslaap naar de schuur. Met een schop in de hand liep ik naar de vuilnisbak. Ik opende de deksel en stak er diep mijn hoofd en bovenlijf in. Met mijn uitgestrekte arm en mijn langste vingers greep ik de vuilniszak. De inhoud, onze heilige graal, moest van de ondergang worden gered. En wel nú.
In de voortuin waren maar weinig plekken onbezet. Tussen de lavendel en de vlinderboom zag ik nog een maagdelijk stuk grond. Hier kon ik de moederkoek plechtig begraven. Ik legde de zak op de crematoriumtegels - plavuizen met witte steentjes die mijn ouders er twintig jaar geleden voor hun eigen gemak in hadden laten leggen - en begon te graven. Ik keek naar links, naar rechts. Graven. Er was niemand te bekennen op straat. Doorgraven. Het was vroeg, de ouderwetse, 20-er jaren lantarenpalen schenen nog. Snel, ik hoor wat... graven! Voorzichtig kieperde ik de inhoud in het diepe gat. De bodem was nu bedekt met een homp bloederig vlees gehuld in een blauw gekleurd vliesje. Het gat was nog niet gedicht of een uit zijn voegen gebarsten Beagle rende op mij af. Ik was perplex. Waar kwam dat beest zo plotseling vandaan? Door de onweerstaanbare geur van moederkoek aangetrokken stak de Beagle in luttele seconden zijn snuit in de kuil en nam een hap. Het beest leek van de duivel bezeten. Vanaf nu beschouwde hij zijn buit als zijn rechtmatige bezit. Toen ik hem bij zijn riem wilde pakken hapte hij mij zonder te waarschuwen in mijn linkerhand. Een lange wond in de vorm van een hondengebit gaapte in mijn vel. Ik voelde nog niets, alleen een stijgende woede steeg ik in mij op. Het bloed gutste van mijn hand. De maat was vol, een grens was overschreden. Drie keer sloeg ik zo hard als ik kon op zijn kop.Verdomme, klote beest, beweeg! Onberoerd bleef hij liggen. Met de schop porde ik tegen zijn ribbenkast. Niets bewoog nog. Shit, wat heb ik gedaan? Shiiihiit! Hij is dood. In luttele seconden stortte ik de overgebleven aarde over de Beagle en was hij in het zwarte gat met moederkoek verdwenen. Ik maakte dat ik wegkwam, zette de schop weer in de schuur en verdween naar de voorkamer op de 1e etage van mijn huis om te zien of er op straat een eigenaar op zoek was naar zijn hond. Ondertussen depte ik met een oude doek de wond. Een kwartier bleef ik met pijn in mijn hand voor het raam staan kijken. Niemand. Moeder en kind sliepen nog als roosjes. Ik rende naar beneden en spoedde mij in de auto naar de eerste hulp van het dichtstbijzijnde ziekenhuis. 'Wilt u met of zonder verdoving dat ik uw wond hecht?' 'Doet u maar zonder', hoorde ik mijzelf tegen de dienstdoende arts zeggen, alsof ik een patatje had besteld.Vanuit het ziekenhuis reed ik direct richting het tuincentrum. Ik kocht een appelboompje, een 'Malus' en plantte deze bovenop de Beagle, die weer bovenop de moederkoek lag. Ongetwijfeld zal hij nog een stuk moederkoek hebben doorgeslikt, maar nu lag het tenminste in zijn geheel onder de Malus. Wat was ik blij dat ik de kuil diep genoeg begraven had. De boom groeit goed, er hangt in deze novembermaand nog steeds één appeltje aan. Bijna elk kind van de basisschool die ik langs zie lopen ziet 'm hangen. Ik zie de kleine kotertjes blij van hun vreugdevolle ontdekking naar hun moeder kijken en zeggen: 'Kijk mamma, een appel!'. De appel hangt er nog steeds. Tot voor kort, want een week geleden liep er een meisje langs. Ze zal rond de 16 zijn geweest. Ik dook achter het scherm van mijn computer weg en bespiedde haar. Ze keek om zich heen of er mensen waren die haar zagen. Ze zag ook mij niet want ze strekte haar arm uit en trok met een krachtige beweging het appeltje van de boom. Ik rende naar de voordeur, opende hem en riep: 'Meisje, ik vind niet erg dat je ons enige appeltje steelt, maar zeg in elk geval je naam!' Ik had het natuurlijk kunnen raden. Ze zag er niet alleen mooi, maar ook slim genoeg voor uit, maar ze zei het op een onschuldige en tegelijkertijd schuldige manier: 'Eva, meneer!'

donderdag, oktober 01, 2009

Zijn kindje

Renée, je jongste broer Jelle was twee weken geleden jarig. Ik vroeg hem welk cadeau hij in gedachten had. Het was de nieuwste gadget van het jaar: de touchscreen iPod. We gingen 'm halen in de speciaalzaak in de Langstraat. Toen ie terugkwam was hij de hele dag in de weer met dat ding. Hij keek helemaal niet meer naar je om. Net als jij wilde je broer aandacht dus ik vroeg hem te laten zien hoe dat fantastische apparaat van hem werkte. Hij vroeg me mijn handen op elkaar te leggen. Voorzichtig legde hij de iPod op de handpalm van mijn bovenste hand. "Het hoofdje moet boven en je moet 'm af en toe wiegen", zei hij op zijn meest serieuze toon. Op dat moment schoot ik in de lach en kon ik hem natuurlijk niet meer kwalijk nemen dat hij voor zijn eigen kindje meer aandacht had gehad.

vrijdag, augustus 28, 2009

Figaro Pasquale

Het was wisselvallig weer tijdens onze vakantie. Geen strandweer. Ook geen weer om de hele tijd op de camping van Bakkum te blijven hangen. Dus ging ik met mijn twee jongens een dagje naar het centrum van Amsterdam. Nu wilden zij eigenlijk alleen maar dure dingen 'scoren' in de stad. Zoals Nike-schoenen, Poema-shirts en Lacoste-truitjes. Maar pa wilde ook wat. 'Dus jongens: we gaan naar het Begijnhof'. Als drie verdwaalde toeristen uit eigen land, uitgedost met gymschoenen, slobber t-shirts, goedkope regenjasjes, op de billen hangende spijkerbroeken met gerafelde en uitgescheurde pijpen slenterden we langs de aanwijsbordjes met 'Begijnhof'. Totdat mijn oog viel op een plakkaat op een raam van een ouderwetse kapperszaak.Onze lange haren stonden recht overeind van de wind en de regen en in een opwelling zei ik tegen de jongens: 'Kom, dit lijkt mij een prima Amsterdamse kapper voor een knip en scheerbeurt voor rechtgesnaarde Rotterdamse gabbers zoals wij'. We liepen de smalle gang door. Op een tafeltje lag een stapeltje pamfletten. Toen we de zaak inliepen zette de barbier zijn cliënt vakkundig het mes op de keel. Overal kleine snuisterijen. Hij keek op, legde zijn scheermes naast de scharen voor de spiegel en vroeg: 'Wilt u geknipt of verzorgd worden?'. In mijn betrekkelijke onwetendheid antwoordde ik dat we geknipt wilden worden. Ik had het woord 'geknipt' nog niet uitgesproken of ik voelde al nattigheid. Ik besefte net te laat dat ik een verkeerd antwoord had gegeven. Dit was een valstrik, om de bokken van de schapen te scheiden. We stonden oog in oog met een barbier, een kappelsbeul van Amsterdam. 'Mijnheer, hier worden haar en ziel verzorgd. Heeft u in uw woonplaats geen vaste kapper? Cliënten horen een vaste kapper te hebben. Dat geeft ze een persoonlijke binding met de ambachtelijke kapper. Wat doet u eigenlijk?' Ik stamelde dat ik jurist was. Dit was het begin van een moreel kruisverhoor. Ik moest mijn waardigheid voor deze keurig in strak pak gestoken heer met Italiaanse tongval blijkbaar nog bewijzen. Onbeschaamd vroeg hij waar ik woonde. 'Wassenaar, meneer de kapper'. De klant voor de spiegel lachte tegen zichzelf. 'U ziet eruit als een marktkoopman vertelde onze barbier. Tegenwoordig is er een groot verval van culturele waarden. Men heeft geen eerbied meer voor het oude ambacht ', vertelde hij ons streng. Mijn jongste zoon voelde zich ongemakkelijk worden en om onze eer te redden zei ik luid en duidelijk, zodat de klant van meneer de kapper het ook kon horen: 'Vandaag krijgen jullie morele les, maar blijkbaar zijn wij te onwaardig om hier geknipt te worden'. Meneer de kapper duwde ons alledrie een pamflet in onze handen en bonjourde ons zo snel mogelijk zijn zaak uit. Over de rand van het pamflet zag ik mijn oudste zoon nog bijna struikelen over zijn gescheurde broekspijp. Zijn broek hing nu helemaal tot onder zijn billen. Het dure merk dat op de elastieken band van zijn onderbroek gedrukt stond, zou bijna verklappen dat hij van goede huize kwam. Toch zag je dat de kwaliteit te wensen overliet. De onderbroek was verkleurd in de wasmachine. Het was een neppert die voor drie euro in Turkije was gekocht. We waren 'minderwaardige' markkooplieden, landlopers, edele wilden, culturele barbaren die een loopje namen met fatsoen en waardigheid. Op dat moment stonden we al buiten. Beteuterd. Hoe had ik mijn jongens en mijzelf  toch zó kunnen verwaarlozen? De jeugd van tegenwoordig... Het miezerde. Ik sloeg een rechterarm om de schouders van mijn jongste zoon en een linkerarm om de middel van mijn oudste. Die hield de gekleurde paraplu achter zijn billen en draaide 'm vrolijk rond. Daar stonden we dan. Niet geknipt en ongeschoren. Wanneer zouden we er nu eindelijk eens fantsoenllijk uit gaan zien? Even later vraagt mijn jongste zoon: 'Wie denkt hij eigenlijk wel dat hij is?' 'Figaro', antwoord ik, 'de kat van Pinokkio maar in werkelijkheid is hij Japie de Krekel, Ons Geweten of nee Onze Fatsoensrakker.'

zaterdag, augustus 22, 2009

Matroesjka Renée

Lief klein wormpje. Je bent geboren op een zonnige zaterdagochtend. Je bent zo klein ter wereld gekomen dat je precies op mijn hand paste (de hand van de verloskundige hier op de foto is een stuk kleiner dan de mijne). Thuis heb jij voor het eerst het licht gezien en onze stemmen gehoord zonder de buik en het vruchtwater van je lieve moeder om je heen.
Daar ben je zomaar, ons mooie meisje. Gewikkeld in een bont gekleurde doek lijk je sprekend op het binnenste en kleinste popje van een Matroesjka. Eindelijk kunnen we zien hoe je er uitziet en weten we een beetje wie je bent. In je ronde bolletje priemen grote diepe, donderblauwe ogen met daarop lange wimpers en een heel dun laagje vlashaar. Renée, zo hebben we je genoemd. En als je deze naam niet leuk vindt, noem jezelf dan maar Matroesjka.