zondag, oktober 12, 2008

Zondagavondgevoel


















Als kind had ik het bijna iedere zondagavond: het gevoel dat al het leukste weer voorbij is en dat je na een nachtje slapen weer een hele saaie en vervelende werkweek tegemoet gaat. De tijd was gevuld in de verkeerde verhoudingen: het leukste was te kort en ging ook nog veel sneller voorbij dan het saaiste en vervelendste. Het was gewoon niet eerlijk. Toen ik mijn vrije tijd in mijn werkende bestaan met één dagje mocht verlengen en ik zelf mocht bepalen welke dag ik vrij zou willen zijn, was de keus snel gemaakt: maandag. Was dát de beste remedie tegen het zondagavondgevoel? Ik was niet de enige die dat had. Zoveel mensen leken zich te verzetten tegen het opkomen van de maandagochtendzon...


Vanavond kwam het zondagavondgevoel na lange tijd weer terug. We hadden zo heerlijk gefietst naar het Paard van Marken. Alleen mijn jongste zoon had gemopperd omdat hij tot kwart voor één 's nachts op het hippie- & hockeyfeest van HCR het leukste meisje van het Rotterdamse Hillegersberg had versierd. Door de discodreunen had hij haar naam niet goed verstaan. 's Ochtends, veel te vroeg, had hij er naarstig doch vergeefs op Internet naar gezocht. Dus begrijpelijk dat hij chagerijnig en moe op het stuur hing en nauwelijks vooruit kwam.
Op het vredige strandje bij het Paard van Marken rook het naar natte schelpen en de zoete geur van mijn lief. De oktoberzon scheen op de witte en bruine zeilen die op het kalme IJsselmeer dobberden. Dáár vroeg mijn oudste zoon of het water (nog) zout was. Pas in de haven van Marken zou de weemoedige gedachte aan de oude Zuiderzee tot leven komen bij het lezen van het gedicht van Tom van Deel, de Ballade van de Ansjovis op de muur van de oude Smederij. Ik las het op de boulevard langs de haven hardop voor aan mijn oudste zoon: 'Wij zijn het zilver van de Zuiderzee geweest...' Aan de andere kant van de Zuiderzee, in Blokzijl, had een oudoom als sluiswachter de polder tegen de ruwe zee beschermd en ik hoor hem nog zeggen: 'Wie het water deert, die het water keert'. Als ik aan hem denk, denk ik aan zijn vieze ouwe poepdoos die in een donkere onverlichte schuur achter in zijn tuin stond. Als kind van 7 zocht ik op een koude winterse dag al tastend naar het poepgat. Het scheelde niet veel of ik was er als klein jongetje zomaar ingevallen...

Niet alleen op de Zuiderzee kon het spoken, ook het Ijsselmeer is onvoorspelbaar. Aan de stijgers aan de overkant van de boulevard had de Masumi gelegen. Onze zeilboot had ik op mijn 13e en op aanwijzing van mijn vader net op tijd de haven binnen geloodst. Nog geen kwartier later keek ik met mijn ouders, mijn zus en een lang dun, twee jaar ouder meisje naar het hefstigste onweer uit mijn levensgeschiednis. Marken moet toen het doelwit van Gods ongenaakbare Toorn zijn geweest want de wolken bleven op miraculeuze wijze urenlang boven onze hoofden heen en weer drijven. Het ergste was: het in mijn ogen langste en lelijkste meisje van Wassenaar werd verliefd op mij. Ze wist niks of wilde niks weten van mijn schaamte want een week later overhandigde ze me midden op het schoolplein een zelf gemaakt groen pennenhoesje. Daarop had ze met grote precisie een kreeftje voor mij geborduurd. Ook al geloofde ik toen al geen bal van astrologie, ik vertelde haar - uit respect voor haar edelmoedige liefde - dat ik er een echte gouden pen in zou doen. Dat heb ik gedaan, geloof me. Hij ligt in de la van mijn zwarte Portugese bureau uit 1870 dat mijn vader ooit van de Indonesische Ambassade in Den Haag cadeau had gekregen en ligt daar nog steeds. Ik heb haar daarna nooit meer gezien...
De thuishaven van Monnickendam was de plek waar het zondagavondgevoel terugkwam. Nu zit ik daar op een late zondagmiddag in de kroeg en spreek ik met Pien en mijn zoons over de kredietcrisis, mijn eigen faillissement en over Freud. Pien wil terstond achter de bar gaan zitten. Weemoed slaat opnieuw toe. We moeten weer naar huis. Dan zegt Pien, als we buiten zijn, dat hét na woensdag zomaar kan gebeuren. Een onbeschrijfelijk wonder. Ik omhels haar op de parkeerplaats van Monnickendam en knijp haar bijna fijn en voel me weemoedig gelukkig.
We gaan naar huis. Is nu het mooiste en spannendste alweer voorbij? Ik rijd in mijn Volswagen met Pien naast mij en mijn kinderen achterin. Ik mijmer over de dag dat ik zelf als kind achter in de Snoek en later in de Citroën CX van mijn vader zat. Niet alleen zitten mijn kinderen nu achterin, in de achteruitkijkspiegel zie ik nu ook mijzelf als kind van 13 tussen hen in geklemd zitten.

32 jaar geleden hadden we dezelfde autorit nog 'voor de boeg'. Zwijgend, mijmerend en met gloeiende konen keken we vanuit onze 'veilige' Kooi van Faraday op de A44 richting Wassenaar hoe vaak de bliksem aan de horizon verscheen. Noch mijn vader, noch mijn moeder, noch mijn zus, noch het langste en lelijkste meisje van Wassenaar, noch ik zeiden iets. Niemand wilde denken aan of spreken over de dag van morgen. Vandaag was zo mooi geweest en zo bijzonder.